top of page

Wel/geen mestonderzoek?

  • Foto van schrijver: Ashley Koning
    Ashley Koning
  • 6 apr 2020
  • 10 minuten om te lezen

In de meeste wormmanagementplannen wordt gebruik gemaakt van mestonderzoek. Veelal wordt er aan de hand van de uitslag van het onderzoek bepaald of ontworming wel of niet nodig is. Mestonderzoek kan voor verschillende doeleinden ingezet worden. Zo kan je mestonderzoek gebruiken om resistentie aan te tonen en kan het je helpen om een goede keuze te maken tussen de verschillende ontwormingsmiddelen.


Wat is mestonderzoek?

Zoals de naam al zegt is mestonderzoek het onderzoeken van de mest. Meestal wordt er met mestonderzoek het onderzoeken van de mest op wormeieren bedoeld volgens de Mc Master methode. Hierbij worden de aanwezige wormeieren in de mest geïdentificeerd en geteld onder de microscoop. Wanneer je mest van je paard op wormen (of nog beter gezegd op wormeieren) laat onderzoeken door je dierenarts of door een laboratorium, wordt dit meestal volgens deze methode uitgevoerd. Het onderzoeken van de mest op wormeieren volgens de Mc Master methode wordt ook wel een ei-telling genoemd.

De Mc Master methode is niet de enige methode waar je wormeieren in de mest mee kunt aantonen; er zijn nog een hoop andere methodes waarmee je wormeieren en met sommige zelfs larven kunt aantonen. Elke methode heeft zo zijn eigen nauwkeurigheid en de keuze tussen de methodes hangt af van welke wormsoort je wilt aantonen.


Naast het onderzoeken van mest op wormeieren en/of larven, zijn er ook onderzoeken waarbij er wordt gekeken naar bijvoorbeeld de aanwezige bacteriën in de mest, de PH-waarde van de mest of de aanwezigheid van zand in de mest van het paard. Over het onderzoeken van de mest op zand heb ik eerder al een artikel geschreven klik hier.

In dit artikel zal ik het alleen hebben over worm gerelateerde mestonderzoeken.



Waarom mestonderzoek?

Paardeigenaren gebruiken mestonderzoek voor verschillende doeleinden. Over het algemeen gebruiken de meeste mensen mestonderzoek om te bepalen of ontworming wel of niet bij hun paard nodig is. De mogelijke doelen waarvoor mestonderzoek wordt ingezet, staan hieronder één voor één uitgelegd.


✓ Aantonen van de mogelijk aanwezige wormsoorten

Als allereerst zou je mestonderzoek kunnen gebruiken om de aanwezigheid van wormen mee aan te tonen. Door de wormeieren of larven in de mest te identificeren, kan je aantonen dat de geïdentificeerde wormsoorten aanwezig zijn in het paard.

Belangrijk om te weten is dat alleen de vrouwelijke volwassen wormen eieren leggen en dat deze eieren niet altijd te vinden zijn in de mest. Dit kan komen doordat deze niet door de desbetreffende methode aangetoond kunnen worden, onregelmatig worden uitgescheden en/of doordat de eieren niet met de mest meekomen. Een negatieve uitslag hoeft dan ook niet te betekenen dat de wormsoort niet aanwezig is.

Het is belangrijk dat je per wormsoort die je wilt aantonen een goede keuze maakt tussen de verschillende methodes. Zo heb je onder andere een specifieke methode voor het aantonen van de leverbot en een methode voor het aantonen van de longworm.

Bij het kiezen van een methode voor het aantonen van wormen is het belangrijk om voor de gevoeligste methode te kiezen. Bij de Mc Master methode staat bijvoorbeeld één gevonden ei gelijk aan 25 of 50 eieren per gram mest (ligt aan de hoeveelheid gebruikte mest), waardoor lage hoeveelheden eieren in de mest dan ook onopgemerkt kunnen blijven. Een andere methode zoals de Wisconsin-methode is veel gevoeliger dan de Mc Master methode en kan veel eerder de aanwezigheid van bepaalde wormsoorten detecteren. Bij de Wisconsin methode staat één gevonden ei namelijk gelijk aan 1 ei per gram mest en is hierdoor dan ook een betere keuze dan de Mc Master methode om de aanwezigheid van wormeieren in de mest mee aan te tonen.

Tussen de eieren van de kleine bloedworm, haarworm en grote bloedworm kan bij het reguliere mestonderzoek (ei-telling) geen onderscheid worden gemaakt, waardoor het bij het aantonen van één van deze wormen dan ook noodzakelijk is om een larvenkweek uit te voeren. Alleen bij een larvenkweek is het namelijk mogelijk om onderscheid te maken tussen de grote en kleine bloedworm. Andere wormsoorten zoals de nekworm zijn niet aan te tonen volgens mestonderzoek, omdat de eieren van deze wormen niet worden meegevoerd met de mest. De lintworm en leverbot leggen daarentegen onregelmatig eieren, waardoor de kans klein is dat je deze eieren in de mest terugvind. Daarnaast bereikt de leverbot vaak geen volwassen leeftijd, waardoor er nog geen eieren door de aanwezige wormen worden gelegd en dan ook niet terug te vinden zijn in de mest. Belangrijk is het dan ook om goed te controleren of de wormsoort aangetoond kan worden met mestonderzoek, of de methode geschikt is voor het aantonen van de desbetreffende wormsoort en of de methode nauwkeurig genoeg is om je een idee te geven of de wormsoort wel of niet aanwezig is.

✓Aantonen van hoge uitscheiders

De vrouwelijke volwassen wormen leggen eieren. Deze eieren komen (van de meeste wormen) met de mest mee en belanden zo op de weide. Van sommige wormen zijn de eieren direct infectieus, zoals de eieren van de spoelworm. Bij andere wormen moeten de eieren eerst uitkomen en de larven zich tot infectieuze larve ontwikkelen voordat zij besmettelijk zijn voor het paard. Wormbesmettingen vinden dan ook meestal plaats op de weide. Tijdens het grazen kan je paard gemakkelijk geïnfecteerd raken, wanneer hij/zij tijdens het grazen onbewust infectieuze larven of eieren samen met het gras opneemt.

Een manier om de kans op een wormbesmetting te verlagen, is door de hoge uitscheiders van de kudde aan de hand van een ei-telling te identificeren en zo nodig te ontwormen. Onder een hoge uitscheider wordt een paard verstaan, die veel wormeieren met de mest meegeeft en dus de weide sterk vervuild. Uit een onderzoek is namelijk gebleken dat 15% van de kudde, die behoren tot de hoge uitscheiders van de kudde, zorgen voor 80% van de gehele ei-uitscheiding van de kudde [1]. Dit betekent dan ook dat wanneer je weet welke paarden van de kudde behoren tot de hoge uitscheiders en je deze paarden ontwormt zodra zij een bepaalde grenswaarde hebben bereikt, je op deze manier de infectiedruk en dus de kans op besmetting zo laag mogelijk kan houden op de weide. Het bepalen van de hoge uitscheiders van een kudde is dan ook erg zinvol om de kans op besmetting zo laag mogelijk te houden bij paarden die op een weide staan.

Paarden met een verminderde weerstand, zoals jonge, oudere of zieke paarden, hebben vaak een hoge ei-uitscheiding. Deze paarden vallen dan ook meestal onder de hoge uitscheiders en moeten, om de infectiedruk in de weide zo laag mogelijk te houden, vaker gemonitord worden door middel van mestonderzoek.

Voor het bepalen van de hoge uitscheiders is het belangrijk om voor een methode te kiezen waarbij je het aantal eieren per gram mest bepaald (dus een ei-telling), zoals je bijvoorbeeld bij het standaard mestonderzoek volgens de Mc Master methode doet.


✗ De grootte van de wormlast bepalen

Sommige mensen denken dat je door middel van het tellen van het aantal aanwezige eieren in de mest, kan bepalen hoe hoog de wormlast (het aantal wormen) in het paard is. Helaas kan je niet aan de hand van het aantal wormeieren in de mest een schatting maken hoeveel wormen er in het paard aanwezig zijn. De hoeveelheid eieren in de mest hangt namelijk van een hoop verschillende factoren af en dus niet alleen van het aantal wormen. Zo kan de immuniteit van de gastheer een grote invloed hebben op het afwerpen van wormeieren door de aanwezige wormen. Stress en ziekte kan voor een verlaging van het immuunsysteem zorgen en dus voor een hogere ei-uitscheiding per worm. Paarden met de ziekte van cushing (PPID) hebben over het algemeen een hogere ei-uitscheiding [2]. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat hun immuunsysteem door de ziekte wordt aangetast en hierdoor het aantal eieren per worm toeneemt.

Uit meerdere onderzoeken is er dan ook geen duidelijke correlatie waargenomen tussen het aantal wormeieren en de hoeveelheid wormen in het paard [3,4,5]. Zo is er uit een onderzoek van 2010 naar voren gekomen dat er geen directe correlatie bestaat tussen de wormlast en het aantal getelde eieren bij een ei-telling [3]. Uit recentere onderzoeken van 2018 en 2019 is er geen verband ontdekt tussen de hoeveelheid grote bloedwormen (Strongylus vulgaris) en het aantal getelde eieren bij mestonderzoek [4,5]. Bij het onderzoek uit 2019 is naar voren gekomen dat bij bedrijven die alleen een fecale ei-telling uitvoeren en alleen behandelen na uitkomst van het mestonderzoek, er zelfs sprake is van een verhoogd risico van 2,9 keer op het krijgen van een Strongylus vulgaris infectie [5]. Alleen ontwormen aan de hand van de uitslag van mestonderzoek is dan ook niet aan te raden.

✗ De kans op parasitaire ziekte schatten

Naast dat je mestonderzoek niet kunt gebruiken om de wormlast te bepalen, is mestonderzoek helaas ook geen hulpmiddel om de kans op parasitaire ziekte te bereken/schatten. Dit omdat er geen direct verband bestaat tussen het aantal eieren in de mest en het aantal wormen in het paard [3] en er voor zover ik weet nog geen duidelijk verband is gevonden tussen het aantal aanwezige wormen en de kans op parasitaire ziekte. Naast dit is het belangrijk om te weten dat het meestal niet de volwassen wormen zijn die de voor de schade in het paard zorgen, maar eerder de larven. De larven zorgen namelijk voor schade aan de darmwand en soms ook in andere organen, zoals de longen (longwormlarven). Zo richten de volwassen kleine bloedwormen, de wormsoort die het meeste in Nederland voorkomt, amper schade aan in het paard. Dit terwijl de larven van de kleine bloedworm voor zelfs de dood bij het paard kunnen zorgen, wanneer zij massaal uit de darmwand breken (larvale cyathostominosis). Beter zou het dan ook zijn (voor de meeste wormsoorten) om naar de larven te kijken in plaats van naar de volwassen eierleggende wormen.

✓ Maken van een keuze tussen de verschillende ontwormingsmiddelen

Er zijn verschillende ontwormingsmiddelen verkrijgbaar met verschillende werkzame stoffen, die elk weer geschikt zijn om andere wormsoorten mee te kunnen behandelen. Aan de hand van de uitslag van het mestonderzoek zou dan ook makkelijker een keuze gemaakt kunnen worden tussen de verschillende ontwormingsmiddelen.

Over het algemeen wordt aangeraden om minstens één keer per jaar preventief te ontwormen. Met welk middel hangt af van de aanwezige wormsoorten. Doordat niet elk middel tegen alle wormsoorten werkzaam is en er daarnaast ook veel resistentie heerst, is het erg belangrijk dat je een passend ontwormingsmiddel kiest.

Bij veulens wordt aangeraden om ze in het begin van hun levensjaar een aantal keer preventief te ontwormen. Aan de hand van de aanwezigheid en eventueel de hoeveelheid kleine bloedwormeieren en spoelwormeieren, kan er een keuze gemaakt worden tussen de verschillende ontwormingsmiddelen.

Wil je meer weten over de werkzaamheid van de verschillende ontwormingsstoffen? Klik dan hier.


✓ Als hulpmiddel om parasitaire ziekte mee te diagnosticeren

Een andere reden waarom sommige mensen kiezen voor mestonderzoek is om parasitaire ziekte te diagnosticeren. Wormen kunnen namelijk voor verschillende klachten bij het paard zorgen. Hierbij is het wel belangrijk om in je achterhoofd te houden dat ondanks de aanwezigheid van bepaalde wormsoorten, het niet hoeft te betekenen dat deze wormen ook voor de aanwezige klachten zorgen. De klachten die mogelijk worm gerelateerd zijn, kunnen ook door andere oorzaken zijn ontstaan. Belangrijk is het dan ook om de mogelijke oorzaken één voor één op te sommen en uit te sluiten. Het niet kunnen aantonen van de aanwezigheid van bepaalde wormsoorten zegt daarnaast niet dat de klachten niet door deze wormen kunnen zijn ontstaan. Zo kan het zijn dat je geen wormeieren in de mest vindt van de kleine bloedworm, terwijl er wel te degelijk kleine bloedwormlarven aanwezig zijn die voor veel schade zorgen. Alleen de vrouwelijke volwassen wormen leggen namelijk eieren. Lintwormen scheiden daarnaast onregelmatig pakketjes met lintwormeieren uit, waardoor deze niet altijd in de mest zichtbaar hoeven te zijn. Mestonderzoek kan dan ook niet met zekerheid zeggen of de klachten wel of niet afkomstig zijn van de aanwezige wormen. Wel is mestonderzoek een goede aanvulling, wanneer je paard duidelijke symptomen vertoont die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bepaalde wormsoort, om te kunnen concluderen dat de klachten (waarschijnlijk) door de aanwezigheid van de wormen komen. Aan de hand van de klachten, in sommige gevallen de tijd van het jaar, en de mogelijke aanwezigheid van wormeieren, zou er een overweging kunnen gemaakt worden om het paard met een geschikt middel te ontwormen en te kijken of de klachten verdwijnen. Hierbij is het wel belangrijk dat je zeker weet dat het ontwormingsmiddel wel echt werkzaam is tegen de aanwezige wormen.


✓ Werkzaamheid van een ontwormingsmiddel controleren

Het wil nog wel eens voorkomen dat het ontwormen niet het gewenste effect heeft gehad. Dit kan komen doordat je paard te weinig van het ontwormingsmiddel toegediend heeft gekregen, door ontwikkelde resistentie van de wormen tegen het ontwormingsmiddel of doordat je simpelweg een ontwormingsmiddel hebt gebruikt die niet werkzaam is tegen de aanwezige wormsoort(en). Door de mest voor de ontworming en een tijdje na de ontworming te testen, kan je bekijken of het ontwormingsmiddel effect heeft gehad op de wormen of nog beter gezegd op de ei-uitscheiding van een individueel paard. Daarnaast kan je ook de werkingsduur van een ontwormingsmiddel controleren en zo vroege indicaties van resistentie aantonen. Verkorting van de (in de bijsluiter vermelde) werkingsduur van een ontwormingsmiddel kan een vroege indicatie van resistentie zijn.


✓ Resistentie aantonen

Aan de hand van mestonderzoek kan resistentie worden aangetoond. Hierbij wordt een reductietest uitgevoerd bij een kudde paarden, die ontwormd is met een bepaald ontwormingsmiddel. Als het aantal eieren in de mest van meerdere paarden van de kudde minder dan een bepaald percentage of helemaal niet is verlaagd, spreek je van resistentie. Wel is het hierbij belangrijk dat het paard de juiste hoeveelheid ontworming toegediend heeft gekregen, er geen gedeelte van de ontworming is gemorst en dat het middel voorheen wel naar behoren heeft gewerkt.



Wanneer wel/niet mestonderzoek gebruiken?

Al met al zijn er een aantal doeleindes waarvoor je mestonderzoek kunt gebruiken. Mestonderzoek is in te zetten:

  • om de aanwezigheid van bepaalde wormsoorten mee aan te tonen;

  • voor het aantonen van hoge uitscheiders (om infectiedruk in de weide zo laag mogelijk te houden);

  • als hulpmiddel om parasitaire ziekte mee te diagnosticeren;

  • om een juiste keuze te kunnen maken tussen de verschillende ontwormingsmiddelen;

  • werkzaamheid van een ontwormingsmiddel mee te controleren;

  • resistentie mee aan te tonen.

Mestonderzoek kan je niet vertellen of je je paard moet ontwormen omdat parasitaire ziekte op de loer ligt en er is helaas geen direct verband tussen het aantal eieren in de mest en het aantal aanwezige wormen in het paard. De wormlast kan je dan ook niet schatten aan de hand van het aantal eieren per gram mest.

Belangrijk is het om je wormmanagement niet alleen op mestonderzoek te basseren. Het kan zijn dat je geen eieren kan vinden in de mest, terwijl er wel wormen aanwezig zijn en mogelijk zelfs voor klachten zorgen. Mestonderzoek is wel een goed hulpmiddel om hoge uitscheiders mee te kunnen bepalen en zo alleen deze paarden extra te ontwormen naast de preventieve ontworming. Het beste is dan ook een combinatie tussen preventieve ontworming en mestonderzoek, zodat je de kans op parasitaire ziekte zo laag mogelijk houd.

Bij vragen en/of opmerkingen neem dan gerust contact met mij op!


Bronnen

1. Lester, H.E., Spanton, J., Stratford, C.H., Bartley, D.J., Morgan, E.R., Hodgkinson, J.E., Coumbe, K., Mair, T., Swan, B., Lemon, G., Cookson, R., Matthews, J.B. (2013). Anthelmintic efficacy against cyathostomins in horses in Southern Engeland. Vet. Parasitol., 197(1-2), 189-96.

2. McFarlane, Dianne & Hale, Grace & Johnson, Eileen & Maxwell, Lara. (2010). Fecal egg counts after anthelmintic administration to aged horses and horses with pituitary pars intermedia dysfunction. Journal of the American Veterinary Medical Association. 236(3). 330-4.

3. Nielsen, M.K., Baptiste, K.E., Tolliver, S.C., Collins, S. S., Lyons, E. T. (2010). Analysis of multiyear studies in horses in Kentucky to ascertain whether counts of eggs and larvae per gram of feces are reliable indicators of numbers of strongyles and ascarids present. Veterinary Parasitology, 174, 77-84.

4. Cain, Jennifer & Jarisch, Katie & Macaluso, Kevin & Luedtke, Brandon. (2018). Correlation between fecal egg count, presence of Strongylus vulgaris , and body score of feral horses on Fort Polk, Louisiana. Veterinary Parasitology: Regional Studies and Reports. 13. https://doi.org/10.1016/j.vprsr.2018.03.002.

5. Tydén, Eva & Enemark, Heidi & Andersson Franko, Mikael & Höglund, Johan & Osterman-Lind, Eva. (2019). Prevalence of Strongylus vulgaris in horses after ten years of prescription usage of anthelmintics in Sweden. Veterinary Parasitology: X. 2. https://doi.org/10.1016/j.vpoa.2019.100013

Opmerkingen


© 2019 ~ Life4horse

  • White Facebook Icon
  • Instagram - White Circle
  • White YouTube Icon
bottom of page